Puber – duifje

Als ik iemand haat, uit de grond van mijn hart, is het die vieze zwetende krullenbol wel. Die vervelende Engelse docent pest me elke les weer. Dit keer ging hij echt te ver! Alweer…
Woedend stap ik op m’n fiets. Ik haast me weg hier, hopend dat mijn klas niet meekijkt vanuit het klaslokaal. Ik ben er helemaal klaar mee, ik ga naar huis.

Wat is het fijn om duif te zijn. De zon schijnt en ik heb net de jackpot gevonden, een halve boterham! Oh, dat smaakt zo goed! Ik denk dat ik maar eens een stuk ga vliegen.

Zo hard als ik kan fiets ik de straat uit. Kut docent, rot school, stomme klas! Klote verkeer, shit bomen, irritante schijt duiven! De hele wereld is stom. Ben ik de enige normale? Ja dan kan ik misschien geen Engels, maar moest die stinkerd dan zo reageren?

Hoog in de bomen heb ik mooi uitzicht op de wereld. Mensen wandelen en fietsen. Andere duiven zijn nog op zoek naar eten, maar ik, ik heb al lekker wat op en geniet van korte vliegtochten langs de weg.

‘Robin, je bent alwéér de enige met een onvoldoende voor de toets.’ Het blijft door m’n kop galmen. Hoe kon hij dat zeggen? Hij genoot ervan mij te kleineren, ik zag het. Nou, als die zak eens een keer fatsoenlijk les zou geven, misschien zou ik dan ook eens een voldoende halen voor het stomste vak van de wereld. Was het maar niet verplicht, of anders, had ik ook maar een betere Engelse achtergrond. Dan kon ik ook eens iets goed doen.

Van boom tot boom vliegen is fijn. Over de weg, vlak achter de fietsers langs. Ik lijk in mijn droom te leven. Maar oh, pas op, een auto. Lompe auto, ze zouden ook niet uitkijken voor vogeltjes als mij.

Misschien zou ik me er ook wat meer in moeten interesseren en nóg meer bijles moeten volgen. Misschien wil die andere docent me helpen, hij leek mij veel vriendelijker. Dan hoef ik me ook niet meer aan meneer zweetkrul te ergeren. Ik kan me er misschien maar beter voor openstellen, straks haal ik het examen niet. Ja, dat ga ik doen. Maar nu ga ik naar huis, een nieuw Engels boek bestellen, gezien de mijne nu flink aangerand is.
Het verkeerslicht springt op groen, ik begin te fietsen. Een lompe auto wilde nog door rood rijden en staat net op tijd stil. Lompe auto, vrouw achter het stuur zeker? Nee, niet eens. Wat een hufter! Ik stap weer op en fiets snel door. Hoe graag ik die auto een trap had gegeven, ik houd me in.

Geschrokken vlieg ik verder. Langs het kanaal, op een doorgaans rustige weg ga ik zitten. Fijn in het zonnetje. Hier komen geen auto’s hier is het veilig. Fietsers fietsen maar om mij heen, even als wandelaars. Honden kunnen me wat. Ik ga hier staan en van de lente zon genieten.

Op automatische piloot fiets ik verder. Net als altijd fiets ik hard door. Niemand kan me wat schelen. Ik had die auto net gewoon aan moeten rijden, net als dat ik laatst die vervelede scooter recht tegemoet fietste. Hij schrok en viel, denk maar niet dat ik ervoor aan de kant zou gaan. Dat was ook na een Engelse les…

Ik houd mijn duivenoogjes gesloten. Ik hoor eenden vlakbij. Ook hoor ik een fietser aankomen. Ik blijf lekker zitten, hier aan de kant op de weg. Genietend van mijn zonnetje.

Met mijn armen op m’n stuur fiets ik verder. Nog twee kilometer, dan ben ik thuis. Op t fietspad zit een duif. Domme beesten vind ik het. Ze lijken wel op meneer zweetkrul. Ik fiets recht op hem af. Hij vliegt zo natuurlijk weg. Ze zijn net slim genoeg om zich niet aan te laten rijden door een fietser.

Ik open mijn ogen. De fietser komt dichterbij. Hij fietst recht op mij af, hij probeert mij uit, net als kleine mensenkinderen, maar nu blijf ik zitten.

Die duif zal elk moment wel weg vliegen.

Echt waar, ik blijf zitten.

Hij vliegt in, drie, twee een…

De aanhouder wint, vriend.

En, hij vliegt…

Ohoh!

Niet weg.
‘Flatsj.’
Shit! Stomme stadsduif. Was jij die zweetkrul maar!

Scroll naar top